From Bogy’s Home

© 2008/2012 From Bogy’s Home

Tibetaanse Terriër

Ontworpen door Petra

Home.Nieuws.Rasbeschrijving.Onze honden.Puppies.Links.Contact.

Ras: Tibetaanse Terriër

Andere naam: Dhoki Apso

Oorsprong: Tibet

Gehouden als: Gezinshond

Grootte: Reuen 35,5-43 cm en teven iets kleiner

Gewicht: 8-14 kg

Kleur: Bont, wit, zwart en verschillende kleuren beige en grijs

Vachtsoort: Lange, fijne, licht golvend en weelderige bovenvacht,

en een dichte en wollige ondervacht

Gemiddelde Leeftijd: 13-14 Jaar

   

 Geschiedenis van de Tibetaanse Terriër:

 

De Tibetaanse Terriër is een van de oudste rassen die we kennen. Het ras bestaat al over

de 2000 jaar. Hun oorsprong ligt in Tibet,ook wel genoemd ‘dak van de wereld’ met zijn

afzonderlijke culturen, het Bhoedisme, de prachtige valleien, ingekapseld door het adembenemende

bergmassief dat de Himalaya heet.

Een gebied waar mens en dier één waren met de natuur.

 

In de eerste instantie werd de Tibetaanse Terriër gehouden door de monniken in het klooster. Zij werden

gehouden voor gezelschap en voor de bewaking.

De Tibetaanse Terriër is ontzettend lenig, zij liepen dan ook met gemak op de daken van het klooster.

Als er zich dan vreemdelingen aan de poort bevonden sloegen zij aan,

waarop de Tibetaanse Mastiffs de indringers op een afstand wisten te houden.

De Tibetaanse Terriër werd destijds beschouwd als de heilige hond van Tibet.

 

De monniken gaven zo nu en dan hun bezoekers (de nomaden) een Tibetaanse Terriër als

gelukshondje mee.

Deze nomaden zagen hierin een nieuwe uitkomst, onze Tibetaanse Terriër werd gebruikt om de schapen te drijven

op de bergpas. De lenigheid van deze hondjes kwam goed van pas, ze sprongen met gemak op de smalle bergpas

over de schapen heen, om ze zo te drijven. Hun platte voeten, de zogenoemde `snowboots`,

gaven hun stabiliteit in de sneeuw, de overvloedige dubbele vacht beschermde ze, zowel voor de enorme

kou in de winter, als de extreme hitte in de zomer.

Het omgekeerde schaargebit, daarmee konden zij sneeuw scheppen om zo zichzelf van water te voorzien.

De krachtige, iets langere achterbenen kwamen goed van pas om tegen de bergen op te klimmen.

 

Destijds hebben de Westerlingen de Tibetaanse Terriër de naam Terriër gegeven, daar het uiterlijk van de hondjes

hun deden denken aan een Terriër. De naam terriër is dan ook zeker een misplaatste naam voor dit ras,

daar de naam Terriër staat voor aarde. De terriër wordt dan ook voornamelijk gebruikt om klein ongedierte te

vernietigen, dit doen ze door met hun neus in de aarde te wroeten.

Dit is zeker niet iets wat een Tibetaanse Terriër doet. Een Tibetaanse Terriër is van oorsprong

een gezelschapshond, die waaks is.

Door zijn robuuste uiterlijk en leergierigheid een perfecte veedrijver.

 

De eerste Tibetaanse Terriërs zijn geïmporteerd door de engelse dokter Miss A. Greig,

in de dertiger jaren van onze 19e eeuw.

Zij oefende in de twintiger jaren een geneeskundige praktijk uit in dit bergachtige gebied.

Voor haar bewezen heelkundige diensten

ontving zij als beloning haar eerste Tibetaanse Terriër. Later heeft zij nog enkele exemplaren

meer kunnen bemachtigen.

Deze hondjes vormden de basis van haar kennel in India, de kennel `Ladkok`.

 

In de jaren dertig is zij teruggekeerd naar haar vaderland en heeft zij haar kennelnaam veranderd

in `Lamleh`. Deze naam vinden we nog in veel

hedendaagse stambomen terug, dit ter ere van haar werk. Zij is dan ook de grondlegger geweest

van onze hedendaagse Tibetaanse Terriër.

 

Onze hedendaagse Tibetaanse Terriër heeft gelukkig nog altijd deze rastypische kenmerken, het karakter

en is nog altijd zeer lenig. Zij kunnen heel hoog springen en zijn perfecte klimmers.

Kunnen soms wat terughoudend tegen vreemden zijn, maar niet agressief. Velen hedendaagse eigenaars hebben

hun wel onderkende kwaliteiten teruggevonden in de Agility (behendigheid) sport.

Door hun leergierigheid en slimheid worden zij vaak betiteld met de term

`little people in dogsuite` wat betekend kleine mensen in een hondenjasje.

 

 

Karakter van de Tibetaanse Terriër:

De Tibetaanse Terriër is een levendige hond, die zijn leven lang speels blijft. Hij is moedig, waaks, vrolijk,

bijdehand en zeer trouw aan zijn baas. Soms kan hij wat terughoudend zijn tegenover vreemden,

maar is daarbij niet agressief van karakter.

 

De Tibetaanse Terriër is een echte gezelschapshond, die dan ook per definitie beschouwt wil

worden als een gezinslid.

Hij is zeer goed te houden met meerdere huisdieren, ook eventueel met katten.

Met kinderen zal hij weinig problemen geven.

Normaliter zijn zij graag in de buurt van de kinderen. De Tibetaanse Terriër is niet

kleinzerig, maar toch moet er enige voorzichtigheid

geboden worden, dat de kinderen de hond niet pesten. Mocht dit toch gebeuren dan

zal de Tibetaan weggaan.

Blijven de kinderen dan toch doorgaan, dan zal hij eerst waarschuwen, blijkt dit

onverhoopt niet afdoende te zijn, dan zal hij in het laatste geval zijn tanden laten zien.

 

De Tibetaan houdt ervan om aan alle activiteiten in het gezin mee te doen. Of dit nou een

uitstapje met de auto is, of kokkerellen in de keuken, knutselen in de schuur, hij zal zich altijd

in de omgeving van zijn huisgenoten bevinden.

 

Als laatste de Tibetaan is zeer zachtaardig van aard en wenst dan ook met liefde en enige

respect behandeld te worden.

De Tibetaan vindt het verschrikkelijk om afgezonderd te worden van zijn familie en

kan zeer gevoelig voor een grote mond of erger nog een tik zijn. Doch dient hij consequent

maar zachtaardig opgevoed te worden.

 

 

Rasstandaard Tibetaanse Terriër:

 

Algemeen:

Stevig, middelgroot, langharig, vierkant van vorm, vastberaden uitdrukking.

 

Kenmerken:

Levendig, trouw karakter, gezelschapshond met veel innemende manieren.

 

Aard:

Vriendelijk, attent, zeer intelligent, moedig, noch fel noch vechtlustig, gereserveerd

tegenover vreemden.

 

Hoofd en schedel:

Schedel van middelmatige lengte, niet breed of grof, enigszins versmallend

van oor naar oog,

noch gewelfd noch geheel vlak tussen de oren. De jukbeenderen zijn gebogen, maar niet

zo sterk ontwikkeld dat ze uitsteken. Duidelijke maar niet overdreven stop,

krachtige snuit met goed ontwikkelde onderkaak. De lengte van de neuspunt tot aan

het oog is gelijk aan de lengte van oog tot aan de achterkant van de schedel. Zwarte neus.

Het hoofd is rijkelijk voorzien van lang haar dat naar voren over de ogen valt.

De onderkaak heeft een kleine maar niet overdreven baard.

 

Ogen:

Groot, rond, noch uitpuilend noch diepliggend, tamelijk ver

uit elkaar staand. Donkerbruin met zwarte oogranden.

 

Oren:

Hangend, niet te dicht tegen het hoofd gedragen, V-vormig,

niet te groot, zwaar bevederd.

 

Gebit:

Schaar of omgekeerde schaar, de snijtandjes in

een lichte boog geplaatst, gelijkmatig verdeeld en haaks op de kaak staand.

 

Voorhand:

Zwaar bevederd, schouders goed geplaatst, benen recht

en evenwijdig, middenvoetsbeentje iets schuinstaand.

 

Lichaam:

Goed gespierd, compact en krachtig, lengte van top

van schouder tot staartaanzet is gelijk aan de schouderhoogte,

goed gebogen rib, vlakke rug boven de ribben, lendenen kort en licht gebogen, coupe vlak.

 

Achterhand:

Zwaar bevederd, goed gebogen kniegewricht, laag geplaatst spronggewricht.

 

Voeten:

Groot en rond, zwaar behaard met haar tussen de tenen

en voetzolen, staat goed met de voetzolen op de grond, voeten niet gebogen.

 

Staart:

Middelmatige lengte, tamelijk hoog aangezet, in een vrolijke krul

over de rug gedragen , zeer zwaar bevederd, een knik bij de punt is toegestaan.

 

Gangwerk:

Vlot, goed uitgrijpend, krachtig stuwend, bij het lopen

of draven moeten voor en achterbenen een lijn vormen en mogen niet

naar binnen of naar buiten draaien.

 

Beharing:

Dubbele vacht, ondervacht is fijn en wollig, de bovenvacht is overvloedig,

maar mag niet zijdeachtig of wollig zijn, lang, recht of gegolfd, maar niet gekruld.

 

Kleur:

Zwart, wit, wit/zwart, goudkleurig, driekleurig, crème, grijs, rookkleurig,

alle kleuren zijn toegestaan, uitgezonderd chocolade of leverkleur.

 

Grootte:

Schouderhoogte bij de reuen: 35,5 - 40,5 cm,

de teven iets kleiner.

 

Fouten:

Iedere afwijking van bovengenoemde raspunten moet als een fout worden beschouwd,

de zwaarte waarop de fout beoordeeld moet worden, moet in de juiste verhouding

staan tot de mate van die fout.

 

Opmerking: De reuen moeten twee testikels hebben die normaal ontwikkeld zijn en volledig in het scrotum ingedaald.